VUUR

Als in de paaswake het licht van de nieuwe paaskaars wordt ontstoken, weten velen van ons dat na een periode van duisternis ( lijden en sterven) een nieuwe tijd van blijdschap (jubel) en openheid aanbreekt. Veertig dagen lang, tot Hemelvaart, brandt de vlam van de paaskaars volop, maar ook de tien daarop volgende dagen tot Pinksteren mag het vuur van de verrijzenis nog in alle diensten en vieringen stralen. Na Pinksteren verdwijnt de paaskaars van het priesterkoor, om enkel nog te mogen branden bij bijzondere gelegenheden: uitvaart, huwelijk, communie- of vormselviering.

Met ‘ vuur’ moet je niet al te lichtzinnig omspringen. Als warmtebron is het een onmisbaar element, maar tegelijkertijd kan dit oerelement vijandig zijn slag slaan en binnen een mum van tijd een hoop ellende veroorzaken.

De symboliek van dit vuur is met zorg binnen de liturgie gekozen en het past dan ook niet om daar onachtzaam mee om te gaan; het is geen lampje dat je voor de gezelligheid laat branden, evenzo met de Godslamp die – op Goede Vrijdag na- altijd hoort te branden.

De betekenis van dit licht/ vuur is bij velen, met name jongeren,  in de loop der jaren bijna als een nachtkaarsje verdwenen. Het ontbreekt hen aan kennis.

In een vergelijking met  sport of het leven van een mens, vallen overeenkomsten te maken, die vrijwel iedereen direct begrijpt:

Iedereen die sport bedrijft, weet dat hij/zij niet de volle speeltijd kan vlammen. Doet men dat wel, dan is het risico van ‘ afgebrand’ zijn snel waar te nemen. Sommigen willen dat stadium uitstellen of overslaan en nemen (hoe raar het ook klinkt in deze context) verdovende middelen die als spiritus de vlam kunstmatig flakkerend moeten houden.

Ook in elk mensenleven komen momenten voor, waarin niets te veel is: de energie spat er vanaf en men is moeilijk te stoppen. Met name jongeren kunnen enorm geestdriftig aan iets nieuws beginnen, maar sommigen raken snel teleurgesteld als het doel niet direct gehaald wordt. Ze worden gefrustreerd en dan spreken we van een ‘ kort lontje’.

Vraag aan een atleet of schaatser wanneer hij/zij het beste kan pieken en men zal je vertellen dat enkel via gedoseerde inzet dat record er misschien ooit in zit.

In een tijd waarin snel gescoord moet worden, is geen of weinig plaats voor een degelijke kaars van zuivere bijenwas, die langzaam en evenwichtig branduren kan maken. Nee; snel de ‘ hens’ erin om te kunnen; ‘ fikken’is de taal van de straat geworden.

Gelukkig kent de kerk nog een eigen jargon van woorden en gebruiken, die tijdens alle diensten en vieringen gepast aan bod kunnen komen. Ik hoop op lichtpuntjes in de komende tijd dat ook de man/vrouw van de straat dit meer kan leren begrijpen en waarderen.